‘Voor deze doelgroep is nog een wereld te winnen.’
Wat Pieter Hoekstra betreft kan er nog veel verbeterd worden aan de behandeling en begeleiding van mensen met een verstandelijke beperking. Het is een van de redenen waarom hij als kinder- en jeugdpsychiater graag in de stuurgroep van de Academisch Werkplaats stapte. ‘Maar het was ook een beetje toeval.’

Naast kinder- en jeugdpsychiater is Pieter (57) ook hoogleraar op de afdeling Psychiatrie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Verwacht echter geen gewichtig heerschap, want Pieter is niet zo van de status of, zoals hij zelf zegt, de hiërarchie. Pieter is een toegankelijke man die zich graag laat afleiden door leuke mensen en interessante weetjes. Zo kan dit interview niet starten voor we een oude schoolkaart van Nederland hebben geanalyseerd die op onze ontmoetingsplek hangt. ‘Ik schat eind jaren veertig, want de Flevopolder staat er nog niet op.’
Toeval
Deze informele start van het interview is kenmerkend voor Pieter. Sociale vaardigheden zijn in zijn vak als psychiater belangrijk. ‘Maar ik kan me ook goed terugtrekken hoor. Bijvoorbeeld voor schrijfwerk of als ik stukken van promovendi moet beoordelen.’ Want dat is wat Pieter als hoogleraar doet: vooral onderzoekers begeleiden en met hen samenwerken, soms ook promovendi. Pieter vraagt ook subsidies aan voor nieuwe onderzoeken en als dat gelukt is, kan hij nieuw personeel aanstellen. Min of meer toevallig belandde hij bij de Academische Werkplaats: ‘Gerda de Kuijper wilde promoveren met een onderzoek naar het gebruik van psychofarmaca (medicijnen voor psychische klachten, red.) bij mensen met een verstandelijke beperking en vroeg of ik haar wilde begeleiden.’
Meer diepgang
Zo gebeurt er wel meer toevallig in het leven van Pieter. Hij studeerde geneeskunde en werd dus arts. ‘Maar ik was niet zo gecharmeerd van de strikt medische kant van het vak. De psychische kant van klachten van mensen vond ik meer diepgang geven, meer betekenisgeving.’ En dus specialiseerde Pieter zich tot psychiater. Dat hij uiteindelijk met kinderen en jongeren ging werken was dan weer toeval. ‘Ik liep stage in het niet zo verre buitenland, in München, op een kinderafdeling. Dat vond ik meteen mooi. Kinderen zijn nog volop in ontwikkeling en je krijgt ook met hun ouders te maken, de gezinnen.’
Afbouwen van medicijngebruik
Maar terug naar onderzoeker Gerda de Kuijper. ‘Dat moet in 2009 zijn geweest. Ik was toen nog geen hoogleraar. Gerda deed onderzoek naar het medicatiegebruik van cliënten met een verstandelijke beperking. En dat sprak me aan. Het is een kwetsbare doelgroep waar relatief weinig onderzoek naar is gedaan. Mensen met een verstandelijke beperking worden vaak uitgesloten van effectonderzoeken; er zijn dus minder onderzoeksgegevens om je behandeling mee te onderbouwen. Het is allemaal minder evidence based, zoals wij dat noemen.’
Bewondering
Pieter had meteen grote bewondering voor de drive van Gerda. En trouwens ook voor werkplaatscollega Annelies de Bildt. ‘Gerda heeft mooie stappen gezet om het medicijngebruik bij cliënten met een verstandelijke beperking en psychische problemen terug te brengen en Annelies zorgde voor heel goede subsidievoorstellen. Gerda trouwens ook.’ Hun onderzoeksdoelen en de doelgroep spraken Pieter dusdanig aan dat hij altijd betrokken is gebleven. Sinds 2019 door zitting te nemen in de stuurgroep van de Academische Werkplaats.
Mensen met een verstandelijke beperking zijn anders
Dat deze kwetsbare doelgroep nu beter in kaart wordt gebracht, vindt Pieter de grootste verdienste van de Academische Werkplaats. Hij signaleert dat de zorg sinds de jaren negentig al verbeterd is, maar ook dat er nog een wereld te winnen is. ‘Het hebben van een verstandelijke beperking vergroot de kans op psychische problematiek, maar de geestelijke gezondheidzorg richt zich vooral op de gemiddelde patiënt. De erkenning dat deze cliënten anders zijn, lijkt een beetje op het recente inzicht in de medische wetenschap dat vrouwen anders in elkaar zitten dan mannen.’ Met andere woorden mensen met een verstandelijke beperking vragen om hun eigen benadering en onderzoeken. ‘Dat de Academische Werkplaats zich daar mee bezighoudt, vind ik mooi. En dan te bedenken dat de werkplaats dit allemaal zonder grote structurele subsidies doet.’
Zorgwinst
De stuurgroep komt vier keer per jaar online bijeen. Eens per jaar is er ook een fysieke bijeenkomst van alle deelnemers aan de Werkplaats. Pieter ziet vooral een inhoudelijke rol voor zichzelf weggelegd: ‘Met name het meedenken over nieuwe onderzoeksprojecten.’ Welk onderzoek uit de afgelopen jaren spreekt hem het meeste aan? Daar hoeft Pieter niet lang over na te denken: ‘Toch wel het soort onderzoeken waar het voor mij allemaal mee begonnen is, die naar een mogelijke afbouw van medicatie. Vooral omdat ik zag dat de resultaten zo mooi waren. We zagen eigenlijk geen toename van probleemgedrag, wat vaak de reden was om met medicatie te starten, en juist wel een forse gezondheidswinst: minder gewicht, een lagere bloeddruk, een betere suikerstofwisseling… Vaak zie je in dit soort gevallen voor- én nadelen, maar hier zie je alleen maar verbeteringen.’
Kunstmatige intelligentie
En wat gaat de toekomst brengen? Welke onderzoeken staan op stapel? Pieter verwacht veel van een nieuw onderzoek naar de inzet van moderne technologieën, zoals bijvoorbeeld kunstmatige intelligentie, op de kwaliteit van leven van mensen met een verstandelijke beperking en een psychische of gedragsstoornis. ‘Dat is echt een heel mooie aanvraag van Annelies die nu loopt. Als dat een succes wordt, verwacht ik een boost in de zorg. Het kan de zorg echt naar een hoger plan brengen. Met name bij instellingen die verbonden zijn aan de Academisch Werkplaats.’ Enthousiast schetst Pieter hoe experts van kunstmatige intelligentie misschien kunnen helpen bij het monitoren van de cliënten, zodat gegevens – ‘fysiologische parameters’ – van cliënten beter in kaart worden gebracht en geanalyseerd. ‘Ik ben geen expert op het gebied van AI, maar denk aan bepaalde aspecten van welbevinden, bijvoorbeeld hoe iemand slaapt, of hij pijn ervaart.. Dat kan allemaal veel beter worden ontsloten.’